Het Friese Paard

Het Friese Paard is een Nederlands paardenras met, zoals de naam al verraadt, zijn oorsprong in de provincie Friesland. Het Friese paard is door kruising van Spaanse paarden uit het toen eerder koudbloedige paardentype in de 16e en 17e eeuw ontstaan in de tijd van de Spaanse bezetting.
In het begin van de 18e eeuw werdt er in de vooraanstaande families steeds minder te paard gereden, maar veel meer in elegante, lichte koetsjes. Daarvoor zocht men geschikte dieren en zelfs in het militair was er geen vraag meer naar Friese paarden. 1854 kwam men tot de conclusie dat het Friese ras niet meer te redden was en een regeling ter bescherming ervan werd weer gecanceld. Ondanks dat dit eigenlijk het einde van het ras betekende, kwam het idee van een stamboek op, zoals Engeland en Frankrijk dit al handhaafden. Zo kwam het, dat de Nederlandse minister van landbouw de statuten van het Friesch Paarden Stamboek toestemming verleende.
1880 had de vereniging 107 leden – en maar 16 hengsten en 28 merries. Op dit tijdstip waren alleen maar 3 hengsten van gekruisd ras ingeschreven. Ondanks alles werd de fokkerij van het Friese paard verwaarloosd omdat ze toen gewoon uit de mode gekomen waren. Het Bovenlander Paard (Fries x Oldenburger) had veel meer voorstanders onder de paardenhouders.
1913 leefden er nog maar 3 hengsten en wel Prins 109, Alva 113 und Friso 117. Alleen nog enkele Friese fokkers gaven het gevecht voor het behoud van het ras niet op. Men had erkend dat er niet alleen maar een werkpaardenras door uitsterven bedreigd was maar ook een stuk Friese geschiedenis. In dat jaar werd de vereniging „Het Friesche Paard“ opgericht. Er werden een paar goede hengstveulens gekocht en in vakkundige handen voor de opfok gegeven. 1916 werden 2 daarvan voor de dekdienst ingeschreven (Paulus 121 en Rudolf 122). 1962 waren er al 23 dekhengsten. Tussen 1962 en 1967 zonk het aantal Friese paarden wederom van rond 4000 naar 974 paarden. Dit had men twijfelloos aan de mechaniseering van de landbouw te “danken”. De trekker hield ook op de Friese boerderijen zijn intocht.

Pas in het midden van de jaren 70 ontdekten ruiters en koetsiers het Friese Paard als ideaale partner voor recreatief gebruik. Het was een statig paard met imponerende gangen geworden. Zijn dressuuraanleg droeg tot zijn tegenwoordige populariteit bij. Na de inkruising van Spaanse hengsten werd er nooit weer vreemd bloed ingekruisd. Het bestand werd gestabiliseerd en vergroot en wel alleen maar door inteelt binnen de kleine populatie. Dit is de reden waarom in het papier van ieder ingeschreven paard de “inteeltfactor” aangegeven is, die aangeeft met welk percentage van inteelt het erfgoed van het betreffende dier opgezadeld is.

De selectie is als één van de strengste ter wereld bekend. Ieder jaar worden in Ermelo nieuwe kandidaat-hengsten van meestal 2,5 jaar oud voorgesteld. Maar weinig oudere dieren zijn erbij. Alleen de besten mogen zich dan in januari in Leeuwarden op de Hengstenkeuring van het KFPS voor verdere beoordeling presenteren. Na 2 verdere seectieronden worden wederom de beste hensgetn voor het Centraal Onderzoek in Drachten aangewezen, die in hetzelfde jaar in Drachten plaatsvindt. Als driejarige slagen dan ook hier weer maar enkele hengsten voor hun voorlopig laatste examen waarbij ook stalgedrag en werklust beoordeeld worden.
Een toegelatene dekhengst moet zich tot zijn 16e levensjaar ieder jaar opnieuw aan de keurcommissie laten zien en zijn dekbrevet voor het volgende jaar op de Hengstenkeuring in Leeuwarden ophalen. Na vier tot vijf jaar dekdienst worden de eerste jaargangen nakomelingen beoordeeld. De hengst blijft alleen dan in de fokkerij gehandhaafd, als hij een positieve bijdrage levert. Als dit oordeel eerder negatief blijkt te zijn, wordt de hengst afgekeurd en mag niet meer in het stamboek als dekhengst gebruikt worden.

Exterieur
Friezen zijn paarden met een groot frame en een gewelfde vaak hoog aangezette hals, een goed gevormde en bespierde achterhand en ronde ribben. Ze worden tegenwoordig op de zwarte kleur geselecteerd en zijn daarom meestal fokzuiver voor deze kleur. De laatste bruine merrie Nellie werd in 1928 in het stamboek ingeschreven. Tegenwoordig komt de bruine kleur niet meer voor, alleen zeer zelden nog een enkele vos die niet gewenst is. Ook het optreden van witte aftekeningen aan benen of het hoofd is ongewenst want een Fries moet naar mogelijkheid volledig zwart zijn. Een sterretje of vlokje op het voorhoofd is weliswaar toegestaan maar niet graag gezien. Friezen zijn makkelijk te herkennen statige en elegante paarden.
Nog een typisch kenteken zijn de „vetlokken“ aan de koten.
Sinds de 17e eeuw is dit verschijningsbeeld nauwelijks veranderd. De laatste jaren wordt er in de eerste lijn op een iets grotere maat gelet omdat er meer en meer vraag naar het sportievere type is ontstaan (en de ruiters ook groter zijn dan toendertijd!). De meeste merries hebben nu een stokmaat tussen 1,55m en 1,65m. Om tot de keuring toegelaten te worden, moet een hengst met 3 jaar minimaal 1,58m en met 4 jaar 1,60m meten. Tot 1996 werden de Friezen met een tongtattouage in de plaats van een brandteken gekenmerkt en na het verbod hiervan gaat dit sinds 1997 per microchip.

Interieur
Zoals besproken kreeg het Friese Paard door kruising met Iberische paarden duidelijk meer aanleg voor de dressuur mee. De hoge knieactie, de verheven gangen met veel schwung en zijn talent voor de hoge dressuur maakten hem tot een populair paardenras in shows. Daarnaast is hij door zijn kracht, toeverlaat, geduld en zachtaardigheid ook nog steeds vaak aangespannen voor een rijtuig te vinden. Eén van deze typische rijtuigen is de éénassige sjees. Deze speciale koetsen hebben ook een eigen „stamboek“ in Nederland en er zijn wereldwijd nog maar weinige originele exemplaren bewaard gebleven.

Op de volgende paginas kun je het hier kort samengevatte in uitvoerigere vorm vinden.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.